Nieuw geld kenmerkt zich door het opzichtig uiten van rijkdom: bulgari-horloges, snelle auto’s en witgekalkte Jan-des-Bouvrie-villa’s. Oud geld woont weliswaar ook in een prachtige villa, maar op het bemoste grindpad staat eerder een bejaarde Volvo dan een Ferrari, en het huis wordt gesierd door oude en ietwat versleten meubels die vaak al generaties in de familie zijn.
De engelse politicus Alan Clark (uit een oud geld familie) zei ooit, met veel dédain, over zijn veel rijkere nieuw geld collega Michael Hesseltine: He had to buy his own furniture. Voor oud geld is het kopen van nieuw meubilair not done. Nieuw geld begint dat ook in de gaten te krijgen. Als er ergens een oud geld boedel wordt geveild staan de nieuwe rijken in de rij om de complete inboedel op te kopen en zichzelf zo een oud geld-status toe te dichten.
Dat is goed nieuws voor vrekken, consuminderaars en armoedzaaiers. Voor het verkrijgen van een oud geld-status heb je dus helemaal geen geld nodig, maar vooral oude spullen. Misschien heb je al wel spullen die nog van je oma zijn geweest. En anders kom je met gevonden meubels van de straat een heel eind. Kies je meubels wel met zorg als je het grofvuil afschuimt, neem alleen stevige vooroorlogse meubels mee, geen rafelige ikea-kasten. Opknappen is niet nodig: hoe sleetser hoe beter.
Om het helemaal af te maken moet je jezelf nog wel een bekakt accent aanmeten.